"In iedere oorlog zijn er altijd tienmaal meer helden dan soldaten"
Henry Louis Mencken, Amerikaans dichter en criticus (1890-1956)
De Eerste Wereldoorlog
En we gaan nog niet naar huis…..
Sommigen van de mannen, of in de meeste gevallen nog jongens, waren uitgelaten alsof ze op schoolreis gingen. Anderen waren dan weer erg stil en sommigen veegden zelfs een traan weg. Ze wachtten op de tram die hen naar het station zou brengen van waaruit ze de trein konden nemen naar hun respectievelijke kazerne. We schrijven zaterdag 1 augustus 1914. De jonge soldaten wisten nog niet welke hel hun de volgende jaren te wachten stond. Ook mijn grootvader Isidoor, loteling van de lichting 1907, bevond zich onder hen. Hij was met zijn 27 jaren één van de oudere opgeroepenen.
Isidoor moest met zijn bataljon onmiddellijk vertrekken naar de forten rond Namen. De eerste weken hadden de onervaren soldaten niet veel om handen. Ze moesten de vluchtelingen controleren die vanuit het belegerde Luik waren gevlucht en er werd hen aangeleerd hoe ze de forten rond Namen moesten verdedigen. Toen de Duitsers op 20 augustus Namen aanvielen was de overmacht echter veel te groot en na zware verliezen te hebben geleden, moesten de Belgen zich al na 3 dagen terugtrekken.
Na 32 uren marcheren, waarbij ze gepakt en gezakt 100km hebben afgelegd, worden in de Franse Ardennen de eerste rantsoenen uitgedeeld. Eén reserverantsoen per 2 soldaten! De helse tocht ging verder. Na nog eens drie dagen marcheren kunnen de soldaten eindelijk wat rusten. Ze nemen de trein naar Rouen. Vanuit Rouen sporen ze verder naar Le Havre waar ze toekomen op 30 augustus. De uitgeputte mannen schepen in op een oud Frans vaartuig “Le Mexico” en vertrekken op 3 september naar Oostende om het leger te vervoegen dat Antwerpen verdedigt. Na de gevechten in Namen, en meer dan een week op de vlucht, is de lol er voor de soldaten af en beseffen ze ten volle in welk verschrikkelijk verhaal ze terecht zijn gekomen. Een verhaal waar ze zelf geen vat op hebben.
Isidoor, een wat gedrongen man, gehard door het zware werk op de boerderij van zijn ouders, kon de ontberingen lichamelijk wel aan. Dit in tegenstelling tot een aantal makkers die een iets makkelijker leven hadden gekend en die het zowel fysiek al psychisch moeilijk kregen.
Na een omweg langs Antwerpen kwam Isidoor met het 10e linieregiment toe aan de IJzer. Op 18 oktober, begin van de Slag aan de IJzer, wordt het regiment zwaar bestookt. Zo’n 75.000 manschappen verschansen zich achter de IJzer, die koste wat kost uit handen van de vijand moet gehouden worden. Maar de gevechten, de honger en de precaire levensomstandigheden hebben de soldaten verzwakt. Met hun uitrusting en bewapening is het eveneens triest gesteld. Gelukkig maakt het openzetten van de sluizen in Nieuwpoort, waardoor de IJzervlakte onder water loopt, een einde aan de Duitse opmars. Honger, dorst, koude, regen, modder, hitte, ziektes, luizen, vlooien, ratten en de ondraaglijke stank van paardenkadavers en lijken in ontbinding zouden de troepen aan de IJzer vier jaar lang niet verlaten.
Op 2 september 1915, na bijna een jaar loopgravenoorlog, wordt binnen het leger een nieuwe eenheid opgericht: de Sapeurs Pontonniers. Zij zouden voor de rest van de oorlog verantwoordelijk worden voor het onderhoud van het sluizencomplex de Ganzepoot in Nieuwpoort waar niet minder dan 6 waterlopen samenkomen. Deze groep bestond uiteindelijk uit ongeveer 300 soldaten. Vermits het enorm zwaar werk zou worden, werden de lichamelijk sterkere soldaten gekozen. Grootvader Isidoor was één van hen!
Deze speciale eenheid van de genie, onder het bevel van Commandant Robert Thijs zal de hele oorlog lang, onder onophoudelijke beschietingen, zorgen voor het in standhouden van de sluizen en het op peil houden van de onderwaterzetting.
Vier jaar lang trekken de Sapeurs-Pontonniers elke nacht weer naar de Ganzepoot om de sluis van de Noordervaart open en daarna weer dicht te draaien.
25 soldaten en 2 officieren lieten daarbij het leven, naast 53 gewonden en 156 slachtoffers van gas. De Cie Sapeurs-Pontonniers behoren daarmee tot één van de zwaarst beproefde compagnies van het front. De compagnie beschikt over een peloton fietsers, over 3 secties duikers en over een technisch bureel.
De Sapeurs Pontonniers werkten in 3 groepen, in een rotatiesysteem:
-Een eerste groep, zo’n honderd man, was vooral bij nacht en ontij in Nieuwpoort aan de Ganzepoot aan het werk: sluisdeuren ter plaatse herstellen en/of onderhouden, dammen opwerpen met vaderlanderkes (zandzakken), schuilplaatsen bouwen, het waterpeil verhogen of verlagen, loopbruggen aanleggen, bomschade herstellen, in de winter het ijs aan stukken schieten zodat de vijand niet kan oversteken. Loodzwaar werk, in levensgevaarlijke omstandigheden. Elk signaal van hun aanwezigheid in de omgeving van de Ganzepoot lokte zware Duitse beschietingen uit, ook met gasgranaten. In juli 1917 worden trouwens tientallen Sapeurs slachtoffer van gasaanvallen.
Het overstroomde gebied -gevuld met lijken en kadavers- wordt ook een bijzonder ongezonde plek, waar evenveel soldaten sterven aan tyfus en andere ziekten als door toedoen van vijandelijke kogels of geschut.
-De tweede groep was van piket in Wulpen en moest bijspringen wanneer het heel slecht ging.
-Het derde deel had zogezegd halve rust even buiten Veurne op de weg naar Bulskamp waar de Sapeurs Pontonniers hun barakken en ateliers hadden.
Wanneer een sluisdeur te zwaar beschadigd was, werd ze in zijn geheel verwijderd en per schip over het kanaal Nieuwpoort-Veurne naar Veurne gebracht en in hun ateliers hersteld.
Van rust was weinig sprake en met verlof gaan zat er voor die mannen al helemaal niet in. Naar gelang de oorlog vorderde, kwamen Duitse vliegtuigen hen ook meer en meer lastigvallen. Hoe langer de oorlog duurde hoe ernstiger de luchtaanvallen werden.
Het water van de inundatie was buiten alle proporties goor, verpest door ontbindende lijken en de rottende, opgezwollen krengen van koeien en varkens. Het was een landschap waarin een leger rondkroop, waarin mannen, paarden, kanonnen, wagens er uitzien als met vuilnis bespat ongedierte; bloederig ettervocht dat de Vlaamse grond bedekt en wegvreet.
Een Nederlands journalist noteerde:
“Luguber is het te zien wat hier alzo komt aandrijven. Langs heel dit gebied raakt er hoe langer hoe meer los uit de zware kleigrand. Lijken en voorwerpen worden langzaam door de modder losgelaten, en voor zover het kan drijven, komt het aan de oppervlakte. Dag aan dag, wanneer het water door een stevige wind in beweging wordt gebracht, spoelen langs de dijken die de inundatie begrenzen, lijken aan”
De weeë geur van vergaand vlees hing overal.
Op de bodem van de loopgraven, onder de planken, sijpelde dik water, waarin ondanks het telkens herhaalde bevel het afval achter de eerste linie te begraven, lege blikken dreven, beschimmelde stukken brood en andere vuiligheid. In het warme seizoen stegen muggen als kolommen rook van het wateroppervlakte op en hingen, dik als dekens, wolken vliegen boven de levenden en de doden.
Water was er overal maar drinken kon men het niet. Hier en daar deden soldaten het toch met alle gevolgen van dien.
Uit de memoires van Commandant Robert Thijs:
Eens een succesvolle inundatie (onderwaterzetting) ingesteld, was het noodzaak die te onderhouden en zelfs uit te breiden, ondanks de aanhoudende bombardementen van de vijand en de wispelturigheden van de natuur. Als gevolg van het spiedende oog van de vijand, gebeurde dit werk dikwijls tijdens nachtelijke, maanloze uren.
Het front blijft dankzij de onderwaterzetting gestabiliseerd tot het zegevierend eindoffensief in 1918!
12 november 1918 tot 19 januari 1919
Over de periode van 12 november tot 19 januari is niets terug te vinden in de militaire documenten van Isidoor. Nadat de wapenstilstand was getekend, moesten legereenheden, waaronder een deel van de Genietroepen (dus ook Sapeurs-Pontonniers) de bezettingstroepen terug naar Duitsland begeleiden. Andere soldaten moesten dan weer helpen bij de wederopbouw in het land en het opruimen van de ruïnes in de gebombardeerde zones.
19 januari 1919, na bijna 54 maanden aan het front, mocht grootvader eindelijk terugkeren naar huis!
Na 18 maanden onberispelijke dienst aan het front kreeg een soldaat zijn eerste frontstreep, daarna volgde elk half jaar een bijkomende frontstreep. Op het einde van de oorlog kregen de soldaten er nog 1 extra. Ondanks een straf eind 1917 kreeg grootvader 8 frontstrepen, wat het maximum was dat een soldaat in de Eerste Wereldoorlog kon behalen! Hij kreeg ook het Oorlogskruis met palmen, de Medaille van de IJzer, de Overwinningsmedaille en de Herinneringsmedaille.
De administratie van het leger was door de omstandigheden beslist complex te noemen.
Er waren jarenlang na de oorlog "oudstrijdersverenigingen" in België die zich het lot van de oudstrijders aantrokken. Voor gekwetsten was er nogal goed een spoor te trekken van hun behandeling maar gekwetsten met minder opvallend zichtbare kwalen (bv.gevolgen van het gas) hadden moeite om in de administratie "erkenning" te krijgen.
Men moest al een aalmoezenier of een o/officier of een brancardier (dikwijls een onderwijzer) onder de arm nemen om op een lijst terecht te komen en na de oorlog een soort invaliditeit te verkrijgen.
In België kwam daar ook nog een communautair aspect bij. Je had namelijk 2 oudstrijders verenigingen:
- de NSB (Nationale StrijdersBond)-CNAC Belgisch en tweetalig.
- de VOS (Vlaamse Oudstrijders) uitsluitend Vlaams. Isidoor sloot zich aan bij de ‘Vossen’, zoals ze in de volksmond werden genoemd.
Binnen de eerste groep viel de Franstalige vleugel het zwaarst uit, .... ze hadden niet alleen de meeste kaderleden maar heel de administratie was in meerderheid Franstalig. De meeste erkenningen en het geld(!), gingen dan ook naar Franstaligen…
Wordt vervolgd......