Uittreksel ''WW2 memories of a POW' van Charles Zesch:

...

De nieuwe man kon een beetje Engels. Hij vertelde ons dat ze bij de Nederlandse weerstand zaten. We geloofden hem en gingen samen verder naar een stad. Het huis waar we binnenkwamen was gevuld met mensen en ze begonnen allemaal te schreeuwen, te lachen, onze handen te schudden en ons op de rug te slaan. We werden als helden behandeld. Ze gaven ons iets te eten en te drinken, daarna moesten we ons uitkleden en kregen we burgerkleding. Ze hadden geen schoenen die pasten, dus gaven ze me maar pantoffels. Het bleek dat we in een bakkerij zaten. Ik vertelde hen dat ik nog in een bakkerij had gewerkt toen ik naar school ging. We zaten in Donkerbroek, Holland en de naam van de familie was F. Dragstra. Ze namen ons toen mee naar een slaapkamer waar we konden rusten.

....

13. Over de Nederlands-Belgische grens

Inmiddels begonnen we ons te realiseren dat de Nederlandse ondergrondse geen manier kon vinden om ons terug te brengen naar Engeland. We kregen wat geld en een kleine voorraad eten van J.J. Van Dorn, een juwelier in Rotterdam.

We konden contact opnemen met een ondergrondse agent genaamd M.E. Hoogenraad, een eerste luitenant in de Eerste Divisie van het Hollands Leger. Het was door zijn moed en door zijn aanwijzingen dat we op 13 april 1944 de grens tussen Nederland en België konden oversteken. We werden verplaatst naar Breda, Nederland. Die nacht gingen Jack, Dick en ik te voet naar het zuiden, om de grens over te steken door de bossen. Ongeveer halverwege riep een Duitse grenswachter: "Halt!". We begonnen onmiddellijk te lopen, waarop hij  ons onder vuur nam.

De kogels, die van de bomen afketsen, zorgden er alleen maar voor dat we al zigzaggend nog sneller renden. We haalden de overkant zonder geraakt te worden en bleven verder naar het zuiden gaan, meestal 's nachts reizend.

We liepen drie dagen en drie nachten totdat onze voeten te pijnlijk werden om verder te gaan. We vroegen een landbouwer, die Aerts heette, om toestemming om in de schuur te rusten. Louis Aerts nam vervolgens contact op met een agent van de Belgische Witte Brigade.

Na verschillende gesprekken met deze agent werden we vier dagen later verplaatst naar een boerderij in de buurt, eigendom van August Cannaerts. We bleven daar weer enkele dagen totdat we werden verplaatst naar een grotere stad: Mechelen. Hier huisvestte meubelmaker Franckx ons voor drie weken.

Om de tijd te doden keken we uit het raam aan de straatkant maar zorgden we ervoor dat we door het gordijn keken om niet gezien te worden. We hielden het verkeer en de mensen beneden in de gaten. Op een dag blies de wind de rok van een dame omhoog en een oudere Belgische man die ook bij ons logeerde, slaakte een opgewonden gil. We vertelden hem dat een oudere man, getrouwd, met vier of vijf kinderen, zich niet zo moest gedragen. Hij antwoordde: "Er staat niets in mijn huwelijkscontract dat zegt dat ik mijn ogen in mijn zak moet steken!"

Op 6 juni 1944 hoorden we op de radio over de invasie van "D-Day"! Iedereen was opgewonden en blij. Het duurde een paar dagen voordat we ons beseften dat de oorlog nog niet voorbij was.

De heer Franckx ging verschillende keren naar vergaderingen met andere verzetsleden. Ze bespraken hoe ze een plekje in Zuid-België of Frankrijk konden vinden waar we ons konden verstoppen, de invasieleger voorbij konden laten trekken om dan terug  "vrij" te kunnen opduiken.

14. Gevangen genomen

Op 21 juni ging de heer Franckx naar een  vergadering. Hij kwam niet op het normale tijdstip thuis en we begonnen ons zorgen te maken. Om 11:00 in de namiddag ging de deurbel en mevrouw Franckx liep naar de deur om te kijken wie er aan de deur stond. Ze kwam niet meteen terug, dus we wisten meteen dat er iets mis was. We gingen allemaal naar de achterdeur. Ik zat schrijlings op een stoel toen twee Gestapo-agenten binnenkwamen met een Luger in elke hand en zeiden: "Handen omhoog". Ik stak mijn handen in de lucht en dacht dat Jack en Dick in ieder geval waren ontsnapt. Op dat moment kwamen ze weer binnen. Een bewaker zei tegen Dick dat hij zijn handen in de lucht moest steken. Dat deed hij niet onmiddellijk en Duitser duwde nogal brutaal een machinepistool in zijn buik. Toen stak hij toch maar zijn handen in de lucht. Ik denk dat er nog steeds vingerafdrukken op dat plafond moeten zitten, zo hoog hield Dick zijn armen!

Ze bevalen ons om naar de muur te kijken met onze handen nog steeds in de lucht. Net op dat moment speelde op de radio  "The Star Spangled Banner". (*)  Ik dacht dat dit misschien wel het laatste was wat we zouden horen, want er was een zeer serieuze kans om neergeschoten te worden. Ik krijg tot op de dag van vandaag nog steeds kippenvel als ik "The Star Spangled Banner" hoor spelen.

Nadat ze het huis hadden doorzocht, namen ze ons allemaal mee naar het hoofdkwartier van de Gestapo en vervolgens naar een gevangenis in Antwerpen.

Ze wilden alle namen van de mensen bij wie we hadden verbleven, maar het enige wat we ze gaven was onze naam, rang en serienummer. De man ondervrager, vertelde me dat we een burgerlijk proces zouden krijgen en dan zouden worden doodgeschoten voor spionage, sabotage en terrorisme! Ik vertelde hem dat ik in burgerkleding was, maar dat ik nog steeds mijn “dogtags”(**) had. Hij antwoordde: "Dat is betekent niets. Ik heb een zak vol met dogtags," die hij me vervolgens liet zien. Hij sprak heel goed Engels en vertelde me dat hij in Chicago was opgeleid.

Na ons verhoor werden we in eenzame opsluiting geplaatst. Dit betekende dat we elk een kleine cel hadden zonder toilet. We hadden een krukje en een pot die één keer per dag werd geleegd. Sommige gevangenen werden vastgehouden in meer algemene verblijven. Later hoorden we dat beide Franckxs in het concentratiekamp Buchenwald waren terechtgekomen. Zij waren twee van de weinige gelukkigen die levend uit de kampen kwamen. Ze stuurden me na de oorlog foto's om te laten zien hoe mager ze waren geworden.

Op 13 juli, laadden ze ons uiteindelijk op vrachtwagens om ons naar een Brusselse gevangenis te over te brengen. Ik vernam dat de eerste dag slechts twee gevangenen nog in eenzame opsluiting zaten: een gevechtspiloot en ik. De tweede dag mocht ik naar een gewone cel. Terwijl we daar in de  gevangenis van Brussel zaten, toonde een Franse commando ons enkele van zijn gevechtstactieken......

_______________________________________

(*)”The star spangled Banner” is het nationaal volkslied van de Verenigde Staten.

(**) “dogtag”: Een dogtag is een identiteitsplaatje aan een ketting dat door het leger werd gebruikt om soldaten te identificeren. De Engelse term "dog tag" komt van het vergelijkbare identiteitsplaatje voor honden, omdat de militaire plaatjes ook als een "hondenpenning" werden gezien.